Meer nummers van СДП
Songtekst en vertaling
Origineel
Черный человек, ты не смеешь этого, ты ведь не на службе живешь водолазовой.
Что мне до жизни скандального поэта? Пожалуйста, другим читай и рассказывай.
Черный человек глядит на меня в упор, и глаза покрываются голубой плевой.
Словно хочет сказать мне, что я жулик и вор, так бесстыдно и нагло обокравший кого-то.
Друг мой, друг мой, я очень и очень болен.
Сам не знаю, откуда взялась эта боль.
То ли ветер свистит над пустым и безлюдным полем, только крошу в сентябрь осыпает мозги алкоголь.
Ночь морозная, тих покой перекрестка. Я один у окошка, ни гостя, ни друга не жду.
Вся равнина покрыта сыпучей и мягкой известкой, и деревья, как всадники, съехали в нашем саду. Где-то плачет ночная зловещая птица. Деревянные всадники сеют копытливый стук.
Вот опять этот черный на кресло мое садится, приподняв свой цилиндр и откинув небрежно сюртук.
Слушай, слушай, хрипит он, смотря мне в лицо, сам все ближе и ближе клонится.
Я не видел, чтоб кто-нибудь из подлецов так ненужно и глупо страдал бессонницей.
Ах, положим, ошибся. Ведь нынче луна. Что же нужно еще напоенному дремом Эмику?
Может, с толстыми ляжками тайно придет она, и ты будешь читать свою дохлую томную лирику. Ах, люблю я поэтов! Забавный народ!
В них всегда нахожу я историю, сердцу знакомую, как прыщавой курсистки длинноволосый урод, говорит о мирок половой, истекая истомою.
Не знаю, не помню.
В одном селе, может, в Калуге, а может, в Рязани, жил мальчик простой в крестьянской семье, желтоволосый, с голубыми глазами.
И вот стал он взрослым, к тому ж поэт, хоть небольшой, но убатистой силою, и какую-то женщину сорока с лишним лет называл скверной девочкой и своею милою.
Черный человек, ты прескверный гость. Эта слава давно про тебя разносится.
Я взбешен, разъярен, и летит моя трость прямо к морде его переносицу.
Месяц умер, синеет в окошко рассвет. Ах, ты, ночь! Что ты, ночь, наковеркала?
Я в цилиндре стою, никого со мной нет, я один и разбитое зеркало.
Nederlandse vertaling
Zwarte man, je durft dit niet, je leeft niet in dienst van een duiker.
Wat kan mij het leven van een schandalige dichter schelen? Lees het alstublieft en vertel het aan anderen.
De zwarte man kijkt me recht in de ogen aan, en zijn ogen zijn bedekt met blauw maagdenvlies.
Alsof hij me wil vertellen dat ik een oplichter en een dief ben, omdat ik zo schaamteloos en schaamteloos iemand heb beroofd.
Mijn vriend, mijn vriend, ik ben heel erg ziek.
Ik weet niet waar deze pijn vandaan komt.
Ofwel fluit de wind over een leeg en verlaten veld, alleen de kruimels alcohol regenen in september de hersenen.
De nacht is ijskoud, het kruispunt is stil. Ik zit alleen aan het raam en wacht niet op een gast of een vriend.
De hele vlakte is bedekt met losse en zachte kalk, en de bomen hebben zich als ruiters in onze tuin verzameld. Ergens huilt een onheilspellende nachtvogel. Houten ruiters zaaien hoefgeluid.
Ook hier gaat deze zwarte man op mijn stoel zitten, tilt zijn hoge hoed op en gooit achteloos zijn geklede jas weg.
Luister, luister, hij piept, kijkt in mijn gezicht, hij leunt zelf steeds dichterbij.
Ik heb nog nooit een van de schurken zo nodeloos en dom aan slapeloosheid zien lijden.
Ach, laten we zeggen dat ik het mis had. Vandaag is het tenslotte de maan. Wat heeft de slaperige Emik nog meer nodig?
Misschien komt ze stiekem met dikke dijen en lees jij je dode, lome teksten. Oh, ik hou van dichters! Grappige mensen!
Daarin vind ik altijd een verhaal dat mij bekend voorkomt, zoals een puistige student met een langharige freak die uitgeput van loomheid praat over de kleine wereld van seks.
Ik weet het niet, ik kan het me niet herinneren.
In een dorp, misschien in Kaluga, of misschien in Ryazan, woonde een eenvoudige jongen in een boerenfamilie, geelharig, met blauwe ogen.
En toen werd hij volwassen, en bovendien een dichter, hoewel klein, maar met een hobbelige kracht, en hij noemde een vrouw van meer dan veertig jaar oud een gemeen meisje en zijn geliefde.
Zwarte man, je bent een heel slechte gast. Deze roem verspreidt zich al heel lang over jou.
Ik ben woedend, woedend, en mijn wandelstok vliegt recht naar de brug van zijn neus.
De maand is voorbij, de dageraad wordt blauw door het raam. O, jij nacht! Wat heb je gedaan, nacht?
Ik sta met een hoge hoed, er is niemand bij mij, ik ben alleen en er is een kapotte spiegel.